|
Cakewalk Application Language |
|
|
|
Pagina 6 van 15 DeclaratiesVoordat we variabelen in een CAL-programma kunnen gebruiken, moeten ze eerst zijn gedefinieerd (gedeclareerd). Variabelen declareren we als volgt: | (int <naam> [<waarde>]) | ; [3]declareert een integer en kent ; eventueel een waarde toe | | (dword <naam> [<waarde>]) | ; declareert een dubbel word en ; kent eventueel een waarde toe | | (long <naam> [<waarde>]) | ; declareert een long en kent ; eventueel een waarde toe | | (string <naam> ["Dit is tekst"]) | ; declareert een string en kent ; eventueel tekst toe | | (word <naam> [<waarde>]) | ; declareert een word en kent ; eventueel een waarde toe | | (undef <naam>) | ; wist de naam van een variabele ; uit het geheugen | Als we geen waarde aan de variabele hebben gegeven, dan is het onvoorspelbaar wat de waarde is. Later zal ik laten zien hoe de declaratie in een programma wordt gebruikt.
|
|
Laatste aanpassing ( woensdag, 19 december 2007 )
|